Nederland weer van ons

Vragen van de leden Fritsma en Wilders (beiden PVV) aan de ministers van Justitie en voor Integratie, Jeugdbescherming, Preventie en Reclassering over de toename van importpartners uit Marokko naar België. (Ingezonden 20 december 2006)

1
Heeft u kennisgenomen van het
bericht «steeds meer importpartners
uit Marokko naar België»?1
2
Realiseert u zich dat veel in
Nederland verblijvende Marokkanen
via een (gesteld) verblijf in België een
partner over laten komen om zo alle
Nederlandse toelatingsvoorwaarden
te omzeilen?
3
Realiseert u zich dat deze koppels zich
daarna in Nederland (kunnen)
vestigen?
4
Vindt u het bevorderlijk voor de
integratie dat vele Marokkanen een
partner uit het land van herkomst
halen omdat ze verlangen naar hun
«traditionele waarden», en dus
kennelijk niet bereid zijn om zich aan
te passen aan onze westerse cultuur?
5
Hoeveel mensen maken gebruik van
de beschreven België-route?
6
Welke concrete maatregelen neemt u
om bovenstaande «België-route»
tegen te gaan?
7
Deelt u de mening dat het een groot
probleem is dat het systeem van de
België-route ook massaal in
Nederland wordt toegepast doordat
alle gangbare toelatingsvoorwaarden
vervallen als bijvoorbeeld een
Egyptenaar verblijf in Nederland
vraagt bij een Egyptische partner met
een Duits paspoort?
8
Hoeveel niet westerse allochtonen
krijgen in Nederland een
verblijfsstatus op grond van dit
EU-beleid op het gebied van
gezinsvorming en -hereniging? Welke
maatregelen neemt u om de
«Nederland route» tegen te gaan?
1 www.telegraaf.nl, 16 december 2006.

Antwoord
Antwoord van staatssecretaris
Albayrak (Justitie), mede namens de
minister van Wonen, Wijken en
Integratie. (Ontvangen 3 april 2007),
zie ook Aanhangsel Handelingen
nr. 640, vergaderjaar 2006–2007
1
Ja.
2 en 3
In de brieven van 8 en 16 december
2005 aan uw Kamer (Kamerstukken II
2005–06, 29 700, nr. 31 en 32) is
uitvoerig uiteengezet hoe het gebruik
van gemeenschapsrecht, waaraan de
leden Fritsma en Wilders refereren, in
zijn werk gaat. Hierbij staat voorop
dat het beschreven gebruik (waaraan
vaak gerefereerd wordt als
«België-route») uitsluitend voor
Nederlanders mogelijk is. Als door de
vraagstellers gerefereerd wordt aan
«in Nederland verblijvende
Marokkanen» betreft het dus
uitsluitend tot Nederlander
genaturaliseerde Marokkanen.
In deze brieven is ook uiteengezet
dat, hoewel ik niet over cijfers
betreffende dit gebruik kan
beschikken, ik er niet van uitga dat
het om grote aantallen gaat. Deze
cijfers zijn niet beschikbaar omdat
aan dit gebruik een volkomen
legitiem recht ten grondslag ligt, te
weten het recht op vrij verkeer van
personen binnen de Europese Unie.
Dit recht zou door sommigen worden
gebruikt om zo aan (Nederlandse)
nationale immigratievoorwaarden,
zoals inburgerings-, leeftijds- en
inkomenseisen te ontkomen.
Omdat het bestaan en de omvang
van het gebruik steeds werd afgeleid
uit indrukken van individuele
ambtenaren, heeft de toenmalig
Minister voor Vreemdelingenzaken en
Integratie besloten in maart 2006 alle
Nederlandse gemeenten aan te
schrijven teneinde een beter inzicht te
verkrijgen in de problematiek. Het
beperkte aantal reacties op deze brief
(tot op heden hebben slechts zes
burgemeesters gereageerd) en de
inhoud van deze reacties bevestigen
mijn indruk dat het geen grote
aantallen personen betreft. Overigens
is naar aanleiding van de signalen
van de zes gemeenten uiteraard
onderzoek ingesteld naar de zaken
die als «opmerkelijk» werden
bestempeld. In geen van deze zaken
kon echter bevestigd worden dat het
een geval van oneigenlijk gebruik van
gemeenschapsrecht betrof.
4
Er kunnen vele redenen zijn waarom
iemand kiest voor een partner uit het
buitenland. In het kader van integratie
vindt het kabinet het noodzakelijk dat
iedereen die hier wil verblijven een
stevig inburgeringsprogramma volgt,
af te sluiten met een verplichte toets.
Voorwaarde voor integratie is immers
dat we elkaar kunnen verstaan,
begrijpen en verdragen.
(coalitie-akkoord)
5
In mijn antwoord op de vragen 2 en 3
heb ik uiteengezet dat het niet
mogelijk is aan te geven in hoeveel
gevallen het recht op vrij verkeer van
personen binnen de EU wordt
misbruikt om nationaal
vreemdelingenrecht te omzeilen. We
kunnen hierbij slechts afgaan op
verklaringen van individuele
ambtenaren. Deze geven, zoals
eerder opgemerkt, geen aanleiding
om aan te nemen dat het grote
aantallen betreft. Dit neemt uiteraard
niet weg dat de IND nauwkeurig
onderzoek doet naar elk geval dat
hiertoe aanleiding geeft.
6
Op ambtelijk niveau vindt
voortdurend informatie-uitwisseling
plaats over grensoverschrijdende
migratieproblematiek. Zo is een
Belgische verbindingsofficier
gestationeerd bij de IND en is een
vertegenwoordiger van de IND
gevestigd in Brussel. Door alert te zijn
op signalen van individuele
ambtenaren bij gemeenten of politie
en deze informatie uit te wisselen kan
het dossier van betrokkenen met
extra aandacht voor fraude worden
bezien. Dat is in de eerder genoemde,
door gemeenten aangedragen
gevallen, dan ook gebeurd.
7
Met deze vraag wordt klaarblijkelijk
gedoeld op de mogelijkheid voor
gemeenschapsonderdanen
(EU-onderdanen die gebruik hebben
gemaakt van hun recht op vrij verkeer
van personen binnen de EU) om
onder de voorwaarden van
gemeenschapsrecht in plaats van
nationaal vreemdelingenrecht met
een partner verenigd te worden. In
het geschetste geval betreft het een
Duitser (een «Egyptische partner met
een Duits paspoort» is immers een
Duitser) die door in Nederland te
verblijven
«gemeenschapsonderdaan» is
geworden en zodoende slechts hoeft
te voldoen aan de beperkte
voorwaarden voor gezinsmigratie die
door het gemeenschapsrecht worden
gesteld. Deze voorwaarden betreffen
het aantonen van de gezinsband, de
afwezigheid van gevaar voor de
openbare orde en nationale veiligheid
en een beperkte inkomenseis.
8
Er vindt geen registratie plaats van
het aantal vreemdelingen van buiten
de EU dat op basis van een
gezinsrelatie rechten ontleent aan het
gemeenschapsrecht. Nu dergelijke
zaken niet als zodanig worden
geregistreerd, zijn geen cijfers
voorhanden.
Ten aanzien van de vraag welke
maatregelen ik neem om de
«Nederland-route» tegen te gaan
verwijs ik opnieuw naar de eerder
geciteerde brief van 8 december
2005. Hierin is een passage
opgenomen over de Zweedse zaak
die aanhangig was bij het Hof van
Justitie van de EG (HvJEG), Jia vs.
Migrationsverket (zaak C-1/05) en
waarin naar het oordeel van de
Nederlandse regering juist deze
kwestie aan de orde kwam. Het
HvJEG heeft daar echter anders over
geoordeeld en is aan dit gedeelte van
de problematiek voorbij gegaan zodat
nog niet met zekerheid is komen vast
te staan dat in het geschetste geval
Nederlands recht van toepassing is
op de Egyptische partner van de
Duitse gemeenschapsonderdaan.

facebooktwitterinstagrammail

We hebben 3185 gasten

donaties

doneer

Nederland
English