Nederland weer van ons

28 maart 2011

Voorzitter, 

Het wetsvoorstel biedt een wettelijk uitbreiding van het pakket aan bijzondere voorwaarden zoals die nu is opgenomen in artikel 14c Wetboek van Strafrecht.

De PVV is er dan ook nog niet uit of met het wetsvoorstel kan worden ingestemd. Bijzonder teleurstellend is dat een voorwaardelijke invrijheidsstelling nog altijd een automatisme is. Er staat niet voor niets in artikel 15 leden 1 en 2 ”de veroordeelde wordt in vrijheid gesteld” in plaats van “kan in vrijheid worden gesteld.” Alleen wanneer de veroordeelde zich niet aan de voorwaarden houdt, wordt het restant van de opgelegde vrijheidsstraf ten uitvoer gelegd. Dit is een verkeerd signaal. Daarnaast geldt dat een van dergelijke korting bij andere straffen geen sprake is. 

De PVV begrijpt ook wel dat het in sommige gevallen beter is om bepaalde voorwaarden te kunnen stellen na de invrijheidsstelling, dan een veroordeelde ‘kaal’ op straat te zetten. Maar het standaard belonen van goed gedrag in de vorm van strafkorting, terwijl goed gedrag een vanzelfsprekendheid dient te zijn, is de wereld op zijn kop. Hoewel de minister en de staatssecretaris geen gelegenheid voorbij laten gaan om te benadrukken een harde aanpak voor te staan, dit automatisme ten onrechte onaangetast. Vraag aan de staatssecretaris is dan ook waarom deze twee niet uit elkaar halen? Gewoon de opgelegde straf uitzitten en daarna de bijzondere voorwaarden naleven. Ik overweeg een motie op dat punt. 

Niet alleen het automatisme dat ik zojuist heb genoemd, maar ook de omvang van het gedeelte dat niet ten uitvoer wordt gelegd bij de voorwaardelijke invrijheidsstelling, is de PVV een doorn in het oog. Maar liefst 1/3 van de opgelegde vrijheidsstraf wordt niet ten uitvoer gelegd. Veroordeelden die een lange gevangenisstraf hebben gekregen, zijn hiermee dus in het voordeel net zoals dit het geval was bij de inmiddels afgeschafte Fokkensregeling. De PVV vindt dit niet juist. Indien de staatsecretaris de strafkorting en de bijzondere voorwaarden niet uit elkaar wil halen, dan stel ik een alternatief voor. Voorgesteld wordt om in situaties waarin een gevangenisstraf is opgelegd die niet hoger is dan zes jaar, een maximum te hanteren van een half jaar. Bij een gevangenisstraf van zes jaar of meer een maximum van één jaar. Bij de bepaling van deze termijn heb ik gekeken naar het feit dat de staatssecretaris deze periode heeft gehanteerd bij het onmogelijk maken van een contraire beslissing van de rechter bij het beëindigen van de tbs. In dergelijke situaties zal voortaan nog sprake zijn van één jaar ‘voorwaardelijke’ tbs. Alle bijzondere voorwaarden bezien, lijkt mij dat deze binnen één jaar afgerond kunnen zijn. In uitzonderlijke gevallen kan er bij bepaalde voorwaarden op advies van de Reclassering van worden afgeweken, dit enkel en alleen in het belang van de beveiliging van de samenleving. 

Verder een punt van kritiek over de tweede Nota van wijziging. De voorwaarde inhoudende het verlaten van Nederland is hiermee uit het wetsvoorstel gehaald. De motivering daarvan is op zijn zachtst gezegd vreemd. In de memorie van toelichting wordt het terugdringen van criminaliteit en het recidive genoemd als grondslag voor de bijzondere voorwaarden. In de tweede Nota van wijziging is de grondslag het mogelijk maken van een gecontroleerde terugkeer in de samenleving. Een gecontroleerde terugkeer in de samenleving gaat criminaliteit en recidive tegen, dat begrijpt de PVV ook wel, maar dit is in het geval van een illegaal verblijvende vreemdeling die veroordeeld is en op grond van de Vreemdelingenwet Nederland dient te verlaten, niet van toepassing. Wanneer een veroordeelde vreemdeling, die hier illegaal verblijft, aan de opgelegde voorwaarde voldoet, wordt de criminaliteit en recidive ook tegengegaan. Niet door aanpassing van het gedrag van de veroordeelde, maar simpelweg doordat degene Nederland verlaat. Ik heb dan ook een amendement ingediend om deze voorwaarde weer in het wetsvoorstel terug te zetten. 

Verder vraag ik aandacht van de staatssecretaris voor een punt dat de Reclassering terecht naar voren heeft gebracht bij het nieuwe artikel 14e. In dit artikel is bepaald dat de rechter, bij het opleggen van een voorwaardelijke straf kan bepalen dat de daaraan verbonden voorwaarden en het toezicht op de naleving daarvan, meteen uitvoerbaar zijn. De rechter kan dit alleen bepalen als er ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de veroordeelde opnieuw een ernstig misdrijf zou kunnen begaan. Dit misdrijf is omschreven als een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer andere personen. Volgens de Reclassering mag het direct van toepassing zijn van de bijzondere voorwaarden en het daaraan verbonden toezicht breder toepasbaar zijn. Uit de praktijk blijkt namelijk dat er een groep jongvolwassenen is die frequent en berekenend hoger beroep instellen, met als gevolg dat de opgelegde straf nog niet onherroepelijk is. Aangezien zij in de regel buiten het eerdergenoemde gevaarcriterium vallen, is er geen mogelijkheid voor direct toezicht terwijl dit volgens de Reclassering wel wenselijk is. Is de staatssecretaris bereid om in plaats van of naast het gevaarcriterium in het wetsvoorstel de verwijzing op te nemen van gevallen of gronden voor voorlopige hechtenis? 

Mijn laatste vraag aan de staatssecretaris is of er binnen een paar jaar een evaluatie zal plaatsvinden met betrekking tot de nieuwe voorwaarden, in die zin dat gekeken wordt naar de mate van toepassing van deze voorwaarden waarbij tevens wordt gekeken of rechters deze voorwaarden gebruiken in combinatie met een lagere vrijheidsstraf dan tot op heden het geval is.

facebooktwitterinstagrammail

We hebben 3315 gasten

donaties

doneer

Nederland
English