Nederland weer van ons

Wet versterking positie rechter-commissaris (32 177) en Herziening regels betreffende de processtukken in strafzaken (32 468)

Voorzitter, 

Als eerste het wetsvoorstel inzake de versterking van de positie van de rechter-commissaris.

In het wetsvoorstel worden drie toezichtstaken van de rechter-commissaris benadrukt: toezicht op rechtmatige toepassing van opsporingsmethoden, bewaken van de voortgang van het onderzoek en toezicht op de evenwichtigheid en volledigheid van het onderzoek. Om aan het laatste gewicht te geven, is voorzien in de mogelijkheid dat de rechter-commissaris ambtshalve onderzoekshandelingen kan verrichten. Dit is echter beperkt tot de situatie waarin de verdachte in voorlopige hechtenis is genomen en het een feit betreft waarvoor voorlopige hechtenis is bevolen. In een Aanwijzing van het Openbaar Ministerie zal daarnaast uiteen worden gezet in welke gevallen en op grond van welke overwegingen de officier van justitie een vordering tot het verrichten van onderzoekshandelingen aan de rechter-commissaris dient te richten. Allemaal mooi en aardig, maar de Kamer heeft hierover dan niets meer te zeggen. Waarom staan de uitgangspunten niet in dit wetsvoorstel? De nadere invulling kan dan aan het Openbaar Ministerie worden overgelaten. 

De toetsing van de legitimiteit van de toepassing van opsporingsbevoegdheden en dwangmiddelen krijgt ook geen vorm in dit wetsvoorstel, maar in een wetsvoorstel dat de inzet van dwangmiddelen moet herzien, ofwel het wetsvoorstel Herziening dwangmiddelen en opsporingsbevoegdheden. De vraag is echter of dit wetsvoorstel voorziet in de beoogde versterking van de positie van de rechter-commissaris. Ten aanzien van de bijzondere opsporingsmethoden merkte de voormalige minister van justitie namelijk het volgende op, ik citeer: ” de inhoud van laatstgenoemd voorstel (tot stroomlijning van bijzondere opsporingsbevoegdheden) zal beperkt blijven tot een nieuwe indeling en vereenvoudigde redactie van de bevoegdheden en aldus voor de verhoudingen tussen organen in het vooronderzoek geen noemenswaardige wijzigingen opleveren.” (*) 

In de memorie van toelichting wordt ook dan ook bevestigd dat dit wetsvoorstel dient als fundament voor de andere wetsvoorstellen die in het kader van de herziening van het vooronderzoek zullen worden ingediend. Maar de memorie van toelichting zegt ook dat de keuzes in die wetsvoorstellen dienen te passen binnen het raamwerk van dit wetsvoorstel. De invulling van het op deze wijze verkregen raamwerk gebeurt in andere wetsvoorstellen, bijvoorbeeld in het eerder aangehaalde wetsvoorstel Herziening dwangmiddelen en opsporingsbevoegdheden. Dit betekent dat het nog maar de vraag is of de positie van de rechter-commissaris bij de toetsing van de toepassing van dwangmiddelen daadwerkelijk versterkt wordt. De PVV kan zich dan ook niet aan de indruk onttrekken dat we hier keuzes dienen te maken waarvan de gevolgen nog niet duidelijk zijn, omdat we niet beschikken over alle wetsvoorstellen die in het kader van de herstructurering van het vooronderzoek zullen worden ingediend. 

Weliswaar is een aanpassing van het raamwerk mogelijk, maar dat dient niet het uitgangspunt te zijn. Het is dan ook jammer dat we niet gelijktijdig spreken over het hele pakket aan wetsvoorstellen dat is aangekondigd in het kader van de herziening van het vooronderzoek. Mijn vraag aan de staatssecretaris is dan ook wanneer we de andere wetsvoorstellen ten behoeve van de herziening van het vooronderzoek krijgen. Weliswaar zullen de wetsvoorstellen gelijktijdig in werking gaan treden, maar is daarmee het gevaar geweken dat de Kamer nu een wetsvoorstel aanneemt dat later in het kader van een ander wetsvoorstel aangepast dient te worden, waarmee de beoogde duidelijkheid weer teniet wordt gedaan? Ter onderbouwing van deze vrees wordt gewezen op twee uitlatingen van de toenmalige minister van Justitie: ”naar mijn mening verdienen de voorstellen tot herziening die elk een zeer verschillend onderdeel van ons wetboek betreffen, zoveel mogelijk een aparte weging en beoordeling, mede gelet op de verschillende belangen van de diverse procesdeelnemers”(**).  Is het niet veel beter om eerst de verhouding tussen de diverse procesdeelnemers te beoordelen en dan een heel pakket van wijzigingen en aanvullingen ter inzage te leggen? 

Dan het wetsvoorstel Herziening regels betreffende de processtukken in strafzaken. In dit wetsvoorstel krijgt de rechter-commissaris meer bemoeienis met het de samenstelling van het procesdossier. Dit is winst, omdat het procesdossier de basis is waarop de verdediging wordt gebouwd. Maar ook hier geldt de vraag wat er uiteindelijk van overblijft in de gehele herzieningsprocedure van het vooronderzoek. Gewezen wordt op pagina 5 van de memorie van toelichting waarin wordt bevestigd dat de wetsvoorstellen één voor één in procedure worden gebracht, voor advies aan de Raad van State worden voorgelegd en vervolgens bij de Kamer worden ingediend. 

De conclusie van de PVV is dan ook dat het op voorhand niet goed te beoordelen is of de beoogde versterking van de positie van de rechter-commissaris en de stroomlijning van het vooronderzoek wel wordt bereikt nu de met elkaar samenhangende wetsvoorstellen niet in één wetgevingsoperatie worden behandeld. De instemming met de wetsvoorstellen zal dan ook mede worden bepaald aan de hand van hetgeen vandaag aan de orde zal worden gesteld door de Kamer en de antwoorden van de minister.

facebooktwitterinstagrammail

We hebben 4145 gasten

donaties

doneer

Nederland
English