Nederland weer van ons

Voorzitter,

Op de agenda van dit AO staan drie brieven die naar de mening van de PVV weinig indruk maken. Redenen hiervoor is dat beide brieven onderwerpen bevatten die vanzelfsprekend zouden moeten zijn dan wel die weinig voeten in de aarde hebben.

Bij dit aardige begin hoort natuurlijk uitleg. Ten aanzien van de brief over de maatschappelijke oriëntatie van rechters kan ik heel kort zijn. Doel van de maatschappelijke oriëntatie is het verkleinen van de kloof tussen de rechtspraak en de samenleving. Volgens de heer Corstens, president van de Hoge Raad, weten de heren en dames rechters wel degelijk wat er in de maatschappij leeft, want zij zien alle maatschappelijke verschijnselen in hun rechtszaal. Maar daar zit nu net het punt. Ik geloof de heer Corstens op zijn woord, maar de rechters zijn degenen die moeten rechtspreken in een geschil. Dit betekent dat rechters objectief moeten zijn en boven de partijen moeten staan. En dat is iets heel anders dan in de maatschappij of tussen de mensen staan. Hoewel het programma “samenwerking en rechtspraak”, dat in juli 2012 naar verwachting wordt afgerond, een nobel streven is, zal dit programma naar de mening van de PVV de kloof tussen de rechtspraak en de maatschappij niet verkleinen.

Wat verkleint de kloof dan wel? Camera’s in de rechtszaal zullen misschien aantrekkelijk zijn (hoewel ik wel wat haken en ogen zie), maar zonder uitleg van wat men hoort en ziet, heeft het weinig zin. Waar het om gaat is dat de burger begrijpt hoe een vonnis tot stand komt. Dat wordt bereikt door het met interesse luisteren tijdens de zitting, aandacht voor de slachtoffers in de betreffende zaak, het opstellen van een duidelijk gemotiveerd vonnis waarin tot uitdrukking komt welke factoren zijn meegenomen bij de beslissing en welke niet, door het opleggen van een straf die in verhouding staat met de ernst van het gepleegde feit en de mate van verwijtbaarheid van de dader. Gezag en ontzag, daar gaat het om, maar dat moet verdiend worden.

Zo kan ik een brug slaan naar de tweede brief op de agenda, de brief die een aantal nieuwe disciplinaire maatregelen introduceert. Naar mening van de PVV zijn dit geen maatregelen waarvan een afschrikwekkende werking uitgaat. Kijkend naar het resultaat van het onderzoek door RTL Nieuws, genaamd “Foute rechters nauwelijks aangepakt” van 3 oktober 2010, merk ik op dat de aangekondigde disciplinaire maatregelen in veel van die onderzochte gevallen tekortschieten. En laat ik daarnaast als voorbeeld de Chipsholzaak noemen. Hoewel deze zaak nog onder de rechter is, staat wel als een paal boven water dat in deze zaak sprake is van rechters die elkaar de hand boven het hoofd houden waarbij de in deze zaak betrokken beide heren tot nu toe het nakijken hebben. Een slechte zaak opzijn zachtst gezegd.

Het zal niet verbazen dat ik wederom aandacht vraag voor de levenslange benoeming van rechters. De PVV vindt dat rechters voor een bepaalde ambtsperiode benoemd dienen te worden, welke periode van rechtswege afloopt, na bijvoorbeeld tien jaar, waarna herbenoeming mogelijk is. Laat ik meteen een misverstand uit de weg nemen: de regering zal hierbij op geen enkele wijze betrokken zijn. De regering gaat geen rechters ontslaan die niet streng genoeg gestraft hebben. De herbenoeming dient aan de orde te komen bij een hiervoor door de rechterlijke macht zelf in te stellen college of orgaan. Niet valt in te zien waarom iedere werknemer een functionerings- en beoordelingsgesprek heeft en de heren en dames van de rechterlijke macht hiervan gevrijwaard zouden moeten zijn. Ook rechters zijn mensen en mensen maken fouten. Volledigheidshalve wordt maar weer eens verwezen naar de uitspraken in de zaak van Lucia de Berk en de Puttense moordzaak. Een benoeming voor een bepaalde tijd is niet in strijd met de persoonlijke onafhankelijkheid van de rechter. Dit is al in de jaren ’70 van de vorige eeuw bepaald door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens.

En ten slotte nog aandacht voor de toepassing van de sharia in Nederland. Mijn collega Van Klaveren werd bijna voor gek versleten toen hij dit in een debat aan de orde stelde. Inmiddels is zijn gelijk wel bewezen door hoogleraar Léon Buskens die in het wetenschappelijk tijdschrift voor de Raad van de Rechtspraak (genaamd Rechstreeks) laat optekenen dat de sharia met enige regelmaat een rol speelt in rechtszaken over echtscheidingen en andere aspecten van het familierecht. Een voorwaarde is dat de betrokken partijen een buitenlands paspoort hebben en het huwelijk is gesloten in islamitisch land volgens de voorwaarden van de sharia. In die gevallen past de Nederlandse rechter dit buitenlands recht toe. En voordat ik hiertegen als verweer krijg dat dit alleen gebeurt als dit niet in strijd is met de openbare orde (dit staat in artikel 6 van Boek 10 van het Burgerlijk Wetboek; het Internationaal Privaatrecht), verwijs ik naar artikel 56 van Boek 10 BW. Daarin staat letterlijk dat beide partijen die keuze voor een ander rechtsregime kunnen kiezen om het geschil te beslechten. Artikel 6, dat spreekt over de openbare orde, is de uitzondering hierop. Dit betekent dat het vreemde recht wordt toegepast behalve wanneer het in strijd is met de openbare orde. De minister moet het dus niet omdraaien. Uitgangspunt is de keuze van beide procespartijen met als grens de openbare orde. Maar het hier ten lande toepassen van een regime waarin de vrouw beduidend minder waard is en dus in een geschil het onderspit moet delven, past op geen enkele wijze binnen beginselen van onze rechtsstaat. Rechters dienen hier verre van te blijven. Graag een reactie van de minister, maar ik verwacht dat hij zich hiertegen krachtig zal uitspreken en zich niet verschuilt achter de uitzondering van artikel 6. Zo niet, dan overweeg ik een motie.

facebooktwitterinstagrammail

We hebben 2965 gasten

donaties

doneer

Nederland
English