Nederland weer van ons

Het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) heeft afgelopen jaren steeds ingezet op het maximaal leveren van productie ten behoeve van de partners in de strafrechtketen. Ondanks deze inzet kampt het NFI in 2016 op onderdelen met achterstanden en oplopende levertijden. Op 8 oktober 2015 heb ik al schriftelijke vragen gesteld over de bezuiniging bij het NFI. Daarop kwam het volgende antwoord: “Het is echter wel zo dat de capaciteit van het NFI de komende jaren niet zal toenemen terwijl de vraag naar forensisch onderzoek groter wordt. Hierdoor wordt de spanning tussen vraag en aanbod groter en zullen er wellicht andere keuzes gemaakt moeten worden bij het selecteren van sporen voor onderzoek bij het NFI dan voorheen.” Vervolgens is de taakstelling verzacht (de minister spreekt graag over “extra geld, maar dat is onjuist), maar de vraag is of dat genoeg is. Denk bijvoorbeeld aan het gebeuren rondom de MH17. Opsporingsonderzoeken mogen niet in gevaar komen door gebrek aan geld. Mijn fractie blijft dus kritisch. Is er een mogelijkheid dat de Kamer eerder dan begin 2018 wordt geïnformeerd? (Prognosemodel Justitiële Ketens (PMJ) is naar verwachting begin 2018 gereed).

Dan het rapport "De lijkschouw en gerechtelijke sectie beschouwd": de minister schrijft dat op basis van dit verkennende onderzoek niet is vast te stellen of er in Nederland dodingsdelicten worden gemist. Die conclusie van de minister is pertinent onjuist. Er staat dat niet geconcludeerd kan worden hoeveel dodingsdelicten per jaar worden gemist. Er worden dus wel degelijk dodingsdelicten gemist, dus niks “of”. Als de minister even verder had gelezen, dan had hij op pagina 58 deze tekst kunnen vinden: “Geconcludeerd kan worden dat door de daling van het aantal gerechtelijke secties (en dan met name in twijfelgevallen) in 2010 circa 10 en in 2015 circa 23 strafbare feiten met dodelijk gevolg meer zijn gemist dan in 2005.” En dat schrijft de minister ook op pagina 3 van dezelfde brief. Maar het gaat er uiteindelijk niet om hoeveel het er zijn, maar dat ze er zijn. En dat moet zoveel mogelijk worden voorkomen.

Maar ik heb nog meer punten van kritiek naar aanleiding van de brief en het rapport. Ten eerste: een lijkschouw wordt primair afgehandeld door de behandelend arts. Er zijn twee uitzonderingen: als de arts niet overtuigd is van een natuurlijk overlijden of als duidelijk sprake is van een niet-natuurlijk overlijden. In die gevallen wordt de ge-meentelijk schouwarts benaderd. De gemeentelijk schouwarts is een forensisch arts. Kern is dus de overtuiging van de behandelend arts. Hier ligt de sleutel voor het al dan niet inschakelen van een forensisch arts. Er is dus sprake van een tweeledig gevaar:
1. de kwaliteit van de lijkschouw is afhankelijk is van de kwaliteit van de behan-delend arts. De onderzoekers schrijven dat naar hun ervaring kan worden ge-zegd dat de lijkschouw door de behandelend arts met te weinig forensische kennis wordt gedaan;
2. lijkschouw is niet nader wettelijk gedefinieerd: in de regel wordt volstaan met het uitluisteren van het hart en de longen bij het bepalen of sprake is van een natuurlijke dood.
Zonder de behandelend artsen iets te verwijten, kan wel geconcludeerd worden dat op deze manier niet-natuurlijke doodsoorzaken gemist zullen worden. De minister schrijft dat “het belang van het vaststellen van een doodsoorzaak moeilijk kan worden overschat. De maatregelen die hij vervolgens voorstelt, zijn echter onvoldoende om eerdergenoemde gevaren tegen te gaan. dus wederom de vraag: is de minister bereid om altijd sectie te laten verrichten wanneer niet duidelijk is dat de doodsoorzaak een natuurlijke is? Second best: altijd wanneer het slachtoffer minderjarig is? (voorbeeld: situatie 8 jarig meisje in Drentse Hoogeveen).

Als de minister straks in zijn antwoord zal verwijzen naar de instelling van een ‘Task-force Lijkschouw en Gerechtelijke Sectie’ om standaard sectie te verrichten bij suïcide te betrekken bij het nader onderzoek, dan is dat onvoldoende. Mijn vraag kwam nu juist voort uit het feit dat door de politie en of het OM (te) snel de conclusie zelfmoord wordt getrokken. Door dat oordeel als startpunt te nemen, wordt aan de kern van mijn vraag voorbij gegaan.

Tijdens het AO strafrechtelijke onderwerpen op 17 november 2016 heb ik al gewezen op de brandbrief die de Kamer heeft ontvangen van advocaat Diekstra namens een aantal nabestaanden. Wat mijn fractie betreft moeten nabestaanden bij twijfel over de doodsoorzaak van een geliefde een exemplaar van het dossier kunnen krijgen zodat ze het voor een second opinion kunnen aanbieden aan externe deskundigen. Dat heb ik toen gezegd en dat vind ik nog steeds. De minister gaf toen als antwoord dat hij die vraag meeneemt bij de uitkomsten van het onderzoek over lijkschouw en gerechtelijke sectie. Helaas schrijft de minister nu dat het OM de mogelijkheid voor nabestaanden om inzage te krijgen in het strafdossier, ten behoeve van second opinions, gaat onderzoeken. Maar dat vroeg ik niet. gevraagd is om een afschrift van het dossier. Gaat de minister hier nog verder mee aan de slag of laat hij het hierbij?

Tot slot de beleidsreactie op rapporten in vervolg op het rapport van de Commissie Hoekstra naar aanleiding van de zaak Bart van U. Er is veel in gang gezet aan maat-regelen na het verschijnen van het rapport van de commissie Hoekstra en daar spreek ik mijn grote waardering voor uit. Punt van kritiek is wel dat het niet zo moet zijn dat de zwaarste taak (weer) bij de politie ligt, in die zin dat wanneer er in de keten iets fout gaat (opsporen ivm afname celmateriaal of geen plaats in een GGZ-instelling) de politie dan weer moet opdraven. De minister laat naar mijn mening een vraag in de lucht hangen na het advies van de Raad van State over het afnemen van celmateriaal van inverzekeringgestelden zonder bekende woon-/verblijfplaats. De minister verwacht niet dat de toets van een “dringende maatschappelijke behoefte” kan worden doorstaan. Maar dan de volgende vraag. Als er geen celmateriaal mag worden afgenomen waarvan na veroordeling een dna-profiel kan worden gemaakt, dan blijft er een forse groep over die bij de aanhouding een adres hebben opgegeven, maar daarna onvindbaar zijn. Vast staat daarmee dat het percentage van 15% weer gaat stijgen en dat was nu juist het probleem. Vast staat daarmee ook dat de gereserveerde € 17 miljoen niet toereikend zal zijn. Belangrijker is echter dat de politie meer taken heeft en dit er niet bij kan hebben. Wat gaat de minister doen?

facebooktwitterinstagrammail

We hebben 2765 gasten

donaties

doneer

Nederland
English