Nederland weer van ons

Op 1 januari 2013 was de Nationale Politie een feit met de inwerkingtreding van de huidige Politiewet. In artikel 74 is bepaald dat de Staten-Generaal binnen 5 jaar na inwerkingtreding een verslag krijgt van de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. De Commissie Evaluatie Politiewet 2012, ook wel de Commissie Kuijken genoemd, heeft hiervoor veel werk verzet, waarvoor nogmaals mijn dank.

Daarnaast wil ik voormalig korpschef Bouman, helaas postuum, noemen die ook een cruciale rol heeft gespeeld in het slagen van het hele proces: eerst als kwartiermaker, vervolgens als de eerste korpschef van de Nationale Politie.

Het grootste compliment geef ik aan de politiemannen en –vrouwen. Niet meer dan terecht wordt geconcludeerd dat alleen door hun grote loyaliteit “tijdens de verbouwing de winkel open kon blijven”. Toen de nieuwe Politiewet na een jarenlang proces een feit was, moest alles ook in sneltreinvaart. Iedereen is het er over eens dat het te snel moest, te veel was, met te weinig middelen en ook nog eens in een snel veranderende samenleving. Ik wens de huidige korpschef dan ook veel wijsheid en sterkte bij het leiden van de politieorganisatie waar iedereen wel een mening over heeft.

Want niemand zal ontkennen dat er nog het nodige moet gebeuren. Dat kan ook niet anders, want het is de grootste reorganisatie ooit, ook nog in een tijd van forse be-zuinigingen en de evaluatie is slechts 5 jaar na de inwerkingtreding van de wet. Maar het is wel een termijn waarna je kan zeggen of er aan de wet het één en ander ver-anderd moet worden om de politieorganisatie haar taken naar behoren te laten uitoe-fenen.

De kernvraag bij de evaluatie is of de huidige wet de politieorganisatie ondersteunt in de taken die de politie heeft: de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven. De Commissie komt tot een aantal conclusies en doet vervolgens twaalf aanbevelingen.

De minister laat in zijn brief van 15 juni jongstleden aan de Kamer weten een groot deel van de aanbevelingen over te nemen. De meest in het oog springende is wat mij betreft de erkenning dat de korpschef meer ruimte moet krijgen. Daarnaast komt er een einde aan het zogenoemde dubbele slot (vaststaand bedrag en vaststaande sterkte). Mijn fractie is het met beide punten eens. Maar een paar belangrijke aanbevelingen blijft ongenoemd. En dus is ook niet duidelijk of de minister hier iets mee gaat doen. Het gaat dan om de volgende aanbevelingen:

1. de wet moet de huidige verknoping van de rollen van de minister (opdrachtgever, eigenaar en toezichthouder) verhinderen, want die is ongewenst;
2. een nadere omschrijving van het bereik en de vorm van de ministeriële aan-wijzingsbevoegdheid.

Waarom is dit van belang? Vanwege het feit dat de aan de korpschef gegeven ruimte om beleids- en beheersmatig sturing te geven aan de politieorganisatie in de praktijk dan een wassen neus kan zijn en afhankelijk blijft van de ruimte die de minister hem biedt. De aanwijzingsbevoegdheid geeft de minister namelijk de mogelijkheid om te beoordelen of concrete sturing noodzakelijk is. Uit de wetgevingsstukken blijkt dat de regering dacht dat er vaak gebruik van zal worden gemaakt en dat het een gewoon verschijnsel zal worden in de communicatie tussen de minister en de korpschef (30 880 nr. 11 p. 75 en 33 368 nr.4 p. 4 en 33 368 C p. 3). En als dat zo uitpakt, zit daar dus gevaar in. Graag een reactie van de minister op beide aanbevelingen.

Dat heeft ook tot gevolg dat het gevaar van de bekritiseerde top down-aanpak blijft bestaan. En dat vindt niemand gewenst, ik hoef alleen maar te wijzen op het recente rapport “Podium voor goed politiewerk”. De daarin gekozen strategie, bottum up, is een nadrukkelijke breuk met de gebruikelijke veranderstrategie die bij de start van de nationale politie is gekozen. Overigens was dat in het begin begrijpelijk en noodzakelijk, maar nu niet meer.

De ruimte die de korpschef wordt geboden en daarmee vervolgens de teamchefs en de werkvloer zelf, is ook nodig om er voor te kunnen waken dat er niet weer topprioriteit op topprioriteit wordt gestapeld door de minister en, ik erken het meteen, door ons als volksvertegenwoordiger. Er moet een evenwicht zijn dat voor alle partijen werkt, want iedereen wil een goed functionerende politieorganisatie. Ik vind dit een belangrijk punt, omdat dit tijdens de rondetafelgesprekken en de vele werkbezoeken die ik heb afgelegd, het meeste naar voren kwam. “Stop met stapeling van prioriteiten”, “het vaststellen van targets”, “geef ons de ruimte om ons werk te doen”, “stuur op het wat, niet op het hoe” om maar een paar citaten te noemen. Ik neem die oproepen niet letterlijk over, maar ik steun de gedachte wel. Is de minister dit met mij eens, ofwel: hoe gaan we een gezond evenwicht zoeken dat na de volgende evaluatie tot een positieve(re) conclusie leidt op dit punt?

De korpschef krijgt ook een eigenstandige positie binnen het Landelijk Overleg Vei-ligheid en Politie (LOVP). Voor beide onderwerpen moet de regelgeving worden aangepast, aldus de minister in zijn brief van 15 juni 2018. Welke regelgeving en op welke termijn wordt niet genoemd. Kan de minister daar wat meer over zeggen?

In dat licht ook de opmerking van de Algemene Rekenkamer in haar brief van 4 oktober 2018. De Algemene Rekenkamer geeft aandachtspunten bij het opstellen van regelgeving:
- er moet een duidelijke verantwoordingsverdeling zijn tussen de minister en de korpschef;
- de begroting en verantwoording moet daarmee in lijn worden gebracht, zodat recht wordt gedaan aan: 1. de ministeriële verantwoordelijkheid en
2. het budgetrecht van de Kamer.
Neemt de minister deze aandachtpunten over? Zo ja hoe / is er wetgeving voor nodig? En zo nee, waarom niet? En wordt het voor de Kamer duidelijk waar de grens ligt tussen de bevoegdheid van de korpschef en de minister bij het opstellen van de begroting van de politie? De minister is en blijft weliswaar politiek verantwoordelijk, maar iets meer duidelijkheid op dit punt zie ik graag.

Tot slot, ik wil voorkomen dat het huidige en ook toekomstige gebrek aan operationele capaciteit straks van invloed is op de beoordeling bij de volgende evaluatie over vijf jaar. In de komende jaren stromen maar liefst 15.000 agenten uit en dat gat wordt niet op korte termijn opgevuld ondanks alle terechte inspanningen en investeringen. Maar ik noem het hier wel, want de evaluatie gaat namelijk ook over de effecten van de Politiewet in de praktijk. Het mag wat mij betreft niet zo zijn, dat straks bijvoorbeeld over het loslaten van het dubbele slot een negatief oordeel wordt gegeven als dat wordt veroorzaakt doordat er te weinig mensen zijn. Is de minister dat met mij eens en zo ja, hoe gaat hij dat in de gaten houden?

 

facebooktwitterinstagrammail

We hebben 3010 gasten

donaties

doneer

Nederland
English